Is de psychologie een pseudowetenschap?

‘Het betreft alleen een echt wetenschappelijk effect als het gereproduceerd kan worden door iedereen die het experiment op de beschreven manier nabootst.’ Karl Popper, wetenschapsfilosoof.

De psychologie, vooral de sociale variant, blijft maar negatief in het nieuws komen. De grote bom ontplofte echter vorig jaar. Alsof de grootschalige fraude van Diederik Stapel (in 2012) niet genoeg was, werd bekend dat zo’n 60 % van honderd gepubliceerde psychologische onderzoeken uit de sociale en cognitieve psychologie niet gerepliceerd kon worden, en dus waarschijnlijk niet deugt. Dit grootschalige replica-onderzoek – bekend geworden als the Reproducibility Project– veroorzaakte een schokgolf door de psychologiewereld.

Je kunt niet aan de indruk ontkomen dat mijn vakgebied besmet lijkt met hetzelfde wensdenken en diezelfde illusies en (zelf)misleiding als die je van politici, alternatief genezers en andere pseudowetenschappers kunt verwachten. Dat is precies zoals het niet moet. Wetenschap gaat om het blootleggen van de werkelijkheid, niet om het verzinnen van feiten of het bevestigen van vooroordelen. Wat gaat hier mis?

The Reproducibility Project
Nadat een reeks klassieke onderzoeken (zoals die over de beïnvloeding van het onderbewuste) en controversiële (zoals die van ‘parapsycholoog’ Derryl Bem) niet gerepliceerd konden worden en grootschalige fraude (van mensen Diederik Stapel, Marc Hauser en Dirk Smeesters) werd ontdekt, besloot psychologiehoogleraar Brian Nosek dat er iets gedaan moest worden om de puin te ruimen. Hij startte in 2012 een wereldwijd onderzoek waarbij hij in samenwerking met 270 andere psychologen en statistici op grote schaal gepubliceerde onderzoeken probeerde te repliceren. Honderd onderzoeken uit de sociale en cognitieve psychologie. Het resultaat, gepubliceerd in 2015, was erger dan verwacht.

Hoewel 97% van de honderd onderzochte studies significante resultaten vermeldden, bleken dat in de replica’s slechts 36 % te zijn. De gevonden effecten waren bovendien gemiddeld half zo sterk als in de oorspronkelijke onderzoeken. Vooral de ‘sociale’ onderzoeken kwamen er bekaaid vanaf: die bleken twee keer zo weinig gereproduceerd te kunnen worden dan de ‘cognitieve’ onderzoeken. (Dat is op zich niet vreemd, want de werking van bijvoorbeeld het geheugen (typisch cognitieve psychologie) zal bij proefpersonen waarschijnlijk minder variëren dan de manier waarop die proefpersonen in een bepaalde sociale situatie reageren (sociale psychologie).

Ik moet bekennen dat ik zelf ook ‘vervuilde’ onderzoeken heb geciteerd om een punt te maken. Eén specifiek onderzoek dat ik graag aanhaalde is die van het potlood-effect. Dit onderzoek toonde schijnbaar dat proefpersonen zich significant blijer voelden nadat zij een potlood tussen hun tanden hadden gehouden. (De hypothese was dat het potlood de lachspieren stimuleerde, waardoor het brein automatisch de bijbehorende gelukstofjes aanmaakte.) Methodoloog Eric-Jan Wagemakers leidde dit replica-onderzoek en vond echter geen enkel effect meer. *

Hoe kun je de tegenstrijdige resultaten verklaren?

Het komt erop neer dat de eerder gevonden effecten ofwel waren gebaseerd op statistisch toeval ofwel op slecht uitgevoerd onderzoek en zelfs fraude. (In de onderzochte studies van het Reproducibility Project is overigens geen fraude ontdekt.)

De publicatiebias, P-hacking en de onwil replicatie-onderzoek te doen
Behalve fraude (zoals het vervalsen van data) zijn er grofweg een paar manieren waarop gevonden effecten vals kunnen zijn of overdreven worden:

1. De publicatiebias. Onderzoeken met significante (en vooral bijzondere) uitkomsten worden eerder gepubliceerd dan onderzoeken waaruit geen effect of een onduidelijk effect blijkt. Omdat die laatste onderzoeken vaak ongepubliceerd in de bergkast verdwijnen, wordt dit wetenschappelijke probleem ook wel het ladekast-effect genoemd. Dit effect verklaart bijvoorbeeld waarom antidepressiva langere tijd veiliger en efficiënter leken dan ze zijn. Veel huisartsen en psychologen schreven – zonder enige gewetenswroeging – jarenlang antidepressiva voor aan hun sombere patiënten op basis van twee gepubliceerde onderzoeken met positieve resultaten. Als zij echter op de hoogte waren geweest dat er nog negen(!) niet gepubliceerde onderzoeken waren die geen positieve effecten en wel nare bijwerkingen lieten zien, dan hadden ze vast voorzichtiger geweest.

2. P-hacking oftewel goochelen met de data. Het was voor sociale wetenschappers min of meer een geaccepteerd gebruik om net zo lang met de beschikbare data te goochelen totdat er ergens een effect of verband tevoorschijn kwam. En zoals elke statisticus weet: staar lang genoeg naar willekeurige data en je vindt vast een interessant (maar nietszeggend) verband of patroon. ‘Dat gaat bijvoorbeeld zo: ‘Jammer, onze hypothese dat mensen ongelukkiger worden van amusementsprogramma’s wordt niet gesteund, maar we zien wel dat er stemmingsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen zijn die televisie kijken. Dan publiceren we toch daarover. Dat is ook interessant.’

Om de publicatiebias en p-hacking tegen te gaan, worden wetenschappers tegenwoordig verzocht om ruim van tevoren vast te leggen welk effect ze precies willen onderzoeken en hoe ze de relevante data willen meten en analyseren. Het achteraf zoeken naar (meestal toevallige) verbanden moet zo verleden tijd worden.

3. Omdat je puur op basis van statistiek kunt verwachten dat zelfs goed uitgevoerde onderzoeken regelmatig een vals positief of vals negatief resultaat laten zien is replica-onderzoek broodnodig. Maar Replica-onderzoeken zijn voor een onderzoeker gewoon niet zo interessant om te doen. Waarom een oud onderzoek nabootsen, als je ook een origineel effect kunt ontdekken met een nieuw onderzoek (en daarmee je kansen op zowel publicatie als subsidie vergroot). De Nobelprijs zul je in ieder geval niet snel met een replica-onderzoek binnenslepen.

Wanneer eenmalig onderzoek een verassend effect laat zien dat niet in de lijn der verwachting ligt kun je er donder op zeggen dat het resultaat gewoon niet klopt. Maar ook dan: alleen een replica (en liefst nog een) kan dat duidelijk maken. In de praktijk echter worden die eenmalige onderzoeken – vooral door de mainstream media – graag aangehaald omdat het een spannend of grappig effect betreft. ‘Ah, introverten fantaseren dus vaker over SM, interessant!’

Vanwege deze drie bezwaren sprak een bekend onderzoeker ooit de rake woorden: ‘Publicatiedrang leidt tot wetenschappelijke pornografie. Dit zet een premie op veel publiceren en niet goed onderzoek doen. Academici worden stukloonwetenschappers die geen interessante onderzoeksvragen zien maar geinige effectjes.’ De ironie wil dat die onderzoeker niemand minder was dan de meesterfraudeur himself, Diederik Stapel. Hij wist duidelijk waar hij over sprak.

Hoewel wetenschappers al veel eerder bekend waren met bovengenoemde problemen is het Reproducibility Project een eerste serieuze poging van psychologen om hun argwaan omtrent psychologisch onderzoek systematisch te onderzoeken. Aan the Reproducibility Project werken nu 45 Nederlandse psychologen en psychologen mee, waaronder dus potlood-onderzoeker Wagemans. In een interview met Vrij Nederland noemt hij het Stapel-schandaal ‘het beste wat de psychologie kon overkomen, want de affaire leidt tot reflectie over hoe binnen het vak data worden beheerd en geanalyseerd. Het botweg gegevens uit de duim zuigen zoals Stapel deed gaat wel heel erg ver. Maar veel psychologen zijn wel van hetzelfde hellende vlak aan het afglijden. Ze ‘martelen’ de data tot die iets ‘bekennen’.’

Is de psychologie nog te vertrouwen?
Het project heeft een grootschalig probleem in de sociale wetenschappen blootgelegd, maar de schade is wellicht minder groot als op het eerste gezicht lijkt. Het betekent niet dat de psychologie als geheel wetenschappelijk niets voorstelt, het betekent vooral dat je de verassende uitkomsten van eenmalige onderzoeken niet kunt vertrouwen. Vooral niet als het om spectaculaire, verrassende of exotische uitkomsten gaat. Veel inzichten uit de psychologie zijn inmiddels wel stevig door meerdere onderzoeken vastgesteld, maar de exotische ‘wetenschappelijke’ psychologische trivia die je vaak in de media tegenkomt, kun je maar beter met een korrel zout nemen (totdat vervolgonderzoek aantoont dat het om een solide effect gaat).

De reputatieschade van de psychologie is ergens een goede zaak, daar zijn de psychologen het wel over eens. Velen zijn er zelf trots op dat de onwetenschappelijkheid in hun eigen vakgebied zo grondig wordt aangepakt. Mede door the Reproducibility Project zijn er ook grootschalige initiatieven gestart om medische en economische onderzoeken te reproduceren. En ook zijn de resultaten alarmerend.

Het project laat in ieder geval goed zien hoe de wetenschap altijd werkt of hoort te werken. Slecht uitgevoerde onderzoeken of ongeldige conclusies worden vroeg of laat altijd onderuit gehaald en gecorrigeerd door beter uitgevoerd wetenschap. En dat is uiteindelijk precies wat wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt. De psychologie heeft een lange weg te gaan, maar de grote schoonmaak is begonnen. Neem tot die tijd nooit zomaar iets aan omdat een psycholoog het zegt of omdat dat het in de krant staat.

p.s. Om de daad bij het woord te voegen zal ik de komende weken bij besmette artikelen een update plaatsen als ik onterecht een vervuild onderzoek heb geciteerd.

Gerelateerde artikelen?
Het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap.
Waarom alternatieve geneeswijzen alternatief worden genoemd?
Welke deskundigen kun je wel en niet vertrouwen?
Waarom je het nut van psychotherapie met een korrel zou moet nemen

* Disclaimer: de besmette onderzoeken die ik heb geciteerd, heb ik vooral gebruikt om achterliggende psychologische principes te duiden die al wel door meerdere onderzoeken zijn vastgesteld. Het potlood-effect bijvoorbeeld, hoewel vals, past namelijk prima bij het vastgestelde principe dat het veranderen van je gedrag meer effect heeft op je stemming dan het veranderen van gedachten.

Hoe positief denken negatief kan uitpakken


‘Wie het ongeluk vreest, is niet rijp voor het geluk.’ Maurice Roelants, schrijver

Een bevriende muzikant voelde zich ooit totaal mislukt. Hij probeerde al jaren tevergeefs door te breken, terwijl zijn musicerende kennissen meer succes en erkenning kregen dan hij. Die hadden in DWDD opgetreden, speelden in belangrijke voorprogramma’s en werden positief gerecenseerd in landelijke kranten. Dat zag hij allemaal in zijn Facebook-tijdlijn terugkomen. Vergelijken is de duivel – de jaloezie en frustratie deden op een gegeven moment zo zeer dat hij zijn instrumenten aan de wilgen hing en van de radar verdween.

Drie jaar later was hij terug. En hoe. De kennis had zijn eerste album uitgebracht, werd positief gerecenseerd en zelf uitgenodigd in DWDD. Watskebeurt? ‘De kracht van positief denken.’ Op zijn tijdlijn verscheen een ontroerende boodschap waarin hij eerlijk vertelde over de gitzwarte periode die eraan vooraf was gegaan en hoe belangrijk het is om ondanks alles in jezelf te blijven geloven. Sinds zijn bezoek aan een bekende zelfhulpcoach wist hij: ‘Alles is mogelijk, als je er maar in gelooft.’ Amen. De likes en lofzang waren niet van de lucht.

De wet van de aantrekking
Iedereen die voldoende worstelt met het leven én aan ‘persoonlijke ontwikkeling’ doet, wordt vroeg of laat gewezen op de beloften van Positief Denken. Het recept van deze zelfhulpstroming is simpel: ‘Denk dat het gebeurt, en het zal gebeuren.’ De aangenomen verklaring voor eventueel succes gaat echter verder dan de self fulfilling prophecy (die verklaart dat het vertrouwen in een mooie uitkomst, bewust en onbewust, van alles in gang zet om het zo te laten zijn). Nee, omdat alleen vertrouwen in je eigen geest beperkt is, stellen veel zelfhulpgoeroes een grootser en spiritueler mechanisme voor: de barmhartigheid en oneindige wijsheid van het universum zelf. Het universum geeft je volgens hen alles wat je wil, als je weet hoe je erom moet vragen. Letterlijk.

Dit idee – niet wezenlijk anders als Jezus’ uitspraak ‘vraag en het zal u gegeven worden’– werd (opnieuw) leven ingeblazen door een van de bekendste zelfhulpboeken aller tijden: Think and Grow Rich van Napoleon Hill. Deze zelfhulpklassieker uit 1937 verkondigt het revolutionaire idee dat mensen alles kunnen krijgen wat ze willen als ze het maar écht geloven. Zo claimt Hill dat jij en ik arm zijn, omdat we nooit hebben leren denken zoals de miljonair. ‘Denken en voelen dat je rijk bent, maakt je rijk.’ Hoe kwam Hill aan die wijsheid? Hij bestudeerde extreem succesvolle mensen en zag als gemeenschappelijke factor dat zij extreem positief waren en gewoon geen ‘nee’ accepteerden: zij vonden dat ze hun succes en rijkdom verdienden. Hierom deden ze niet aan zelfsabotage en focusten zij al hun energie om te krijgen wat ze wilden.

Dit idee werd pas echt ‘wereldnieuws’ toen tv-vrouw Rhonda Byrne het in 2006 verfilmde als The Secret, daar later een gelijknamig boek van maakte en er bij Oprah Winfrey over mocht oreren. Het geheim komt neer op wat Byrne ‘the law of attraction’ (LOA) noemt. De stelling is dat gedachten niet alleen je gedrag en stemming sturen, maar daadwerkelijk een boodschap het universum insturen die het universum vervolgens begrijpt en beantwoordt. Hoe? Middels de mysterieuze werking van de kwantummechanica. ‘The law of attraction is de wet van de schepping. Kwantumfysici vertellen ons dat het hele universum uit gedachten is ontstaan… Jouw gedachten creëren direct jouw werkelijkheid.’

Volgens Byrne zijn de meeste mensen een slachtoffer van zichzelf, omdat ze onbewust negatieve gedachten het universum inzenden. Ze hebben nooit goed leren nadenken. Ook kanker, oplichting, botbreuken en een kapotte auto zijn enkele van de tragedies die je volgens haar onbewust op jezelf kunt afroepen. Het medicijn: bewustwording en positieve intenties het universum insturen. Byrne beweert bijvoorbeeld dat wanneer je wilt afvallen ‘jij je eerst moet realiseren dat het niet het eten zelf is dat jou dik maakt: Het is het idee dat voedsel jou dik maakt, dat jou dik maakt.’

Tot zover de theorie. Nu over naar de werkelijkheid. Wat zegt wetenschappelijk onderzoek over het nut van positief denken om je doelen te bereiken? Werkt het ook?

Fantasieën omzetten in werkelijkheid
Gabriele Oettingen, professor Psychologie aan de Universiteit van New York, onderzocht jarenlang de rol van positief denken in samenhang met motivatie en het bereiken van doelen. Ze vergeleek proefpersonen die leerden een positieve uitkomst te visualiseren met ‘neutrale’ proefpersonen die dat niet deden. Ze testte allerlei personen en doelgroepen: vrouwen die wilden afvallen; studenten die een leuke date of goede baan wilden; patiënten die na een heupoperatie weer op hun benen wilden leren staan; schoolkinderen die goede rapportcijfers wilden behalen.

In elk van de onderzoeken waren de resultaten hetzelfde: het fantaseren over positieve uitkomsten hielp geen van de proefpersonen hun doelen eerder te bereiken. Integendeel: de positivo’s deden het slechter. En daarbij: hoe positiever de proefpersoon was, hoe slechter het resultaat. Oettingens verklaring: ‘Positief denken laat ons brein denken dat we ons doel al bereikt hebben en dat saboteert onze motivatie en bereidheid om dat doel daadwerkelijk te bereiken. Dromen over de toekomst heeft een kalmerende werking – je bloeddruk wordt meetbaar lager – maar het zuigt ook energie weg die je nodig hebt om je dromen te verwezenlijken.’

Goed, misschien is positief denken niet zaligmakend als manier om doelen te bereiken, maar… dagdromen en fantaseren over je ideale leven maakt je vast gelukkiger, én is dat niet veel meer waard?

‘Ik zie Angelina Jolie naar me kijken, ze wil me..’
Fantaseren hoe jij je succesvolle miljoenenbedrijf uitloopt met een verliefd kijkend fotomodel naast je lijkt misschien onschuldig, het is teleurstellend wanneer het niet lukt. En die kans is aanzienlijk. ‘Mensen die fantaseren over een ideale eindtoestand haken in de praktijk sneller af bij de eerste serieuze obstakels. Je wordt er eerder perfectionistisch en faalangstig door en sneller geneigd de handdoek in de ring te gooien. En daar kun je uiteindelijk pas echt depressief en somber van raken’, aldus Psychologieprofessor Richard Wiseman. Hij zette voor zijn boek 59 Seconds alle onderzochte zelfhulptechnieken op een rijtje. Daarin staan wetenschappelijk verantwoorde oefeningen die wel helpen om je dromen te verwezenlijken. ‘Om doelen te behalen kun je beter het proces visualiseren, niet het einddoel. Fantaseren over hoe je jouw doelen probeert te behalen, geeft je direct een idee wat je daarvoor concreet moet doen. Dat vergroot zowel je oplossend vermogen als je motivatie om aan de slag te gaan.’ Juist omdat je fantasieën nu een link houden met het echte leven kun je een bruikbare brug bouwen van wens naar werkelijkheid. En je leert anticiperen op de onvermijdelijke tegenslagen en hindernissen.

Stel dat het je doel is om gewoon iets gelukkiger te zijn en psychische klachten te verlichten, kan positief denken dan therapeutisch werken? Zoals Byrne zegt: ‘Denk tegengestelde gedachten over jezelf: denk dat je het wel kunt…’

Witte beren op de weg
Mensen die hebben geprobeerd angsten en zorgen te bezweren met positieve gedachten, hebben het vast al ontdekt: het werkt niet. Hoe meer je negatieve gedachten en gevoelens probeert weg te denken, hoe harder ze terugkomen. Misschien zie je die gemene witte beer al binnenwandelen? Psycholoog Dan Wegner onderzocht dit fenomeen uitvoerig en de conclusies zijn interessant:

Vraag proefpersonen om de komende vijf minuten níet aan een witte beer te denken (en wel aan rode auto) dan zullen ze er vaker aan denken dan wanneer je ze vraagt om wél aan een beer te denken. Als je proefpersonen vertelt over een verdrietige gebeurtenis gevolgd door de instructie om het vooral los te laten, dan worden ze verdrietiger dan wanneer je ze geen enkele instructie geeft. Mensen met een paniekstoornis die de exclusieve boodschap kregen zich te ontspannen, waren meer gespannen dan de mensen aan wie die opdracht niet werd gegeven.

Hoe valt dit psychologisch verklaren? Ons denken is geëvolueerd om praktische doelen te bereiken en tussendoor te evalueren of dat volgens plan verloopt. Als het doel ‘avondeten’ is komen jouw gedachten met een concreet stappenplan op de proppen: ‘Na het werk loop ik even langs de pizzeria. En laat ik er ook even een flesje wijn bij kopen.’ Ons denken blijft ons gedrag vervolgens controleren en bijsturen totdat het doel behaald is. ‘Ah, de pizzeria is dicht, dan maar de Thai!’

Wanneer we daarentegen ons denken gebruiken om zichzelf te sturen, gebeurt er iets vreemds. Een doel als ‘positief denken’ maakt dat ons brein zichzelf continu probeert te betrappen op negatieve gedachten. Alleen zo kan het controleren of het zijn doel (in dit geval ‘positief denken’) heeft bereikt. Positief denken houdt je op die manier geketend aan negatieve gedachten en ongewenste emoties.

Daar zitten onder andere twee denkfouten aan ten grondslag.

‘Shit, afgewezen! Ik moet positiever denken.’
Het probleem (en succes) van de law of attaction is dat de theorie – net als bij elke religie – noch te bevestigen, noch te ontkrachten valt. Bij succes dank je het universum, bij ongewenst resultaat wijt je het aan je spirituele tekortkomingen. Je moet nóg positiever leren denken. Het gevaar van blind geloof in de magische kracht van positief denken is hierom dat het je allergisch en bang voor de werkelijkheid kan maken. Zelfs dikke pech kun je gaan zien als persoonlijk falen. Behalve dat je je slecht voelt omdat je ziek wordt of je auto in de prak rijdt, voel je je ook nog eens schuldig dat het jou overkomt.

Ik had ooit een LOA-enthousiast in mijn praktijk die pas actie ondernam ‘als de intentie zuiver voelde’ en ze geen meer angst voelde: in de praktijk deed ze helemaal niets. Ze bleef in cirkeltjes denken zonder ooit een beslissing te nemen. Zo durfde ze pas na twee maanden piekeren een ‘duidelijk flirtende collega’ op de koffie te vragen. Die had toen inmiddels verkering met een ander. (‘De intentie was niet oprecht.’) Het wachten op de juiste positieve vibe om iets gedaan te krijgen, is een onvruchtbare levensstrategie. Onderzoek laat zien dat je je eigen gedachten juist beter niet te serieus kunt nemen en ondertussen actie te blijven ondernemen. Anders doen leidt in de praktijk eerder tot anders voelen en anders denken, dan anders denken. Zelfs een potlood tussen je tanden kan gelukkiger maken, omdat het je lachspieren activeert en je hersenen daar automatisch bijhorende gevoelens bij produceren. En hierom krijgen sombere mensen die zichzelf dwingen te sporten echt in een betere stemming.

Kortom: vertrouwen in een goede afloop is nuttig – want daardoor blijf je actief– maar je leven aan het lot, de LOA of je fantasie overlaten is dat niet. Negatieve gevoelens, angsten en pech kunnen soms maar beter omarmd of (als dat kan) praktisch aangepakt worden in plaats van bezworen met magisch denken.

‘Ik dacht aan een ijsje en ik kreeg er een.’
De tweede denkfout die de LOA overtuigend maakt, wordt wel de ‘overleversbias’ genoemd. Wie in de LOA gelooft, komt met dit soort voorbeelden: ‘Ik dacht op een warme dag aan een ijsje en toen kwam ik Loes tegen die mij op een ijsje trakteerde.’ Mooi, maar we vergeten dat er meer situaties waren waarin we ook ijs wilden, en niets kregen. De treffers worden eruit gelicht als bewijs en de missers vallen niet op. Dat geeft noodzakelijk een vertekend beeld. Zelfhulpcoaches gebruiken op die manier ook hun eigen succes – of dat van Walt Disney en Albert Einstein – als bewijs voor het succes van hun methode.

Jij en ik horen in de media en volksmond veel vaker over de successen en wonderen dan over de keren dat er níets speciaals gebeurt. De eerder genoemde muzikant– die ontzettend getalenteerd is en altijd keihard heeft gewerkt – werd depressief omdat hij overal muzikanten om zich heen zag die meer status en roem hadden dan hijzelf. Wat hij daarbij ook negeerde was dat successen in de regel veel zichtbaarder zijn dan de mislukkingen. Het reservoir mislukkingen is echter reusachtig veel groter dan dat van de succesverhalen. Achter elke muzikant op de hitlijst gaan er duizenden schuil die hun liedjes voor drie verdwaalde internetters op YouTube zetten. En daarachter vind je een nog grotere lading muzikanten die moederziel alleen muziek maken op hun zolderkamertje.

De muzikanten die wél doorbreken dienen vervolgens als voorbeeldformule voor al die anderen die hetzelfde willen bereiken. Die hoor je vervolgens in elk interview inspirerende oneliners roepen als: ‘Geloof in jezelf, dan is alles mogelijk’. In werkelijkheid hebben zij, behalve talent en doorzettingsvermogen, ook veel mazzel gehad. Net als bij een willekeurig kansspel kunnen er uiteindelijk maar een paar winnen.

Vanwege deze blinde vlek blijven mensen hoopvol meedoen aan loterijen en talentenjachten. En daar is niks mis mee, als ze maar niet – zoals de muzikant – stoppen met hun hobby, omdat ze zich mislukt voelen. Dat hij uiteindelijk toch doorbrak heeft waarschijnlijk alles te maken met het feit dat hij gewoon doorging waar hij was afgehaakt. De verdienste van de zelfhulpgoeroe was niet geweest dat hij de muzikant positief leerde denken, maar dat hij door hem zijn muziekinstrumenten weer van zolder haalde.

De les? Je hoeft niet ultrapositief te zijn om je doelen te bereiken, je moet alleen positief genoeg zijn om ermee door te gaan totdat je je doelen bereikt hebt én realistisch genoeg om geen plank voor je hoofd te hebben als het niet lukt. ‘Positief denken’ kun je vooral zien als die plank voor je hoofd.

Waarom jij altijd gelijk hebt (ook als je geen gelijk hebt)

‘Waarom zie je wel de splinter in het oog van je broeder, maar niet de balk in je eigen oog?’ – Jezus Christus, spiritueel leider

Jij en ik leven met een onzichtbare handicap. Een dragelijke, maar serieuze mentale beperking die we ironisch genoeg ‘gezond verstand’ noemen. We denken vaak goede redenen te hebben om iets te vinden, terwijl we in werkelijkheid iets vinden en daar pas achteraf de redenen bij verzinnen. Die blinde vlek spotten we vaak accuraat bij anderen, maar niet bij onszelf.

Een eerste hint dat er iets goed mis is, vind je op de sociale media. Zoals Twitter. Op elk moment van de dag vind je daar intelligente, hoogopgeleide mensen – ook journalisten, deskundigen en hoge piefen met voorbeeldfuncties – die elkaar voor idioot of leugenaar uitmaken. De een weet zeker dat Zwarte Piet racisme is, de ander weet precies het tegenovergestelde. Een ander weet weer zeker dat vaccinaties gevaarlijk zijn, een ander weet dat het pertinent grote onzin is. De meeste discussies –vluchtelingen, Airbnb, Islam of Pokémon – polariseren razendsnel in een spiraal van wederzijdse akeligheid.

Is de diepere les dat de waarheid zich ergens in het midden bevindt? Nee, dat denken alleen luie mensen die zich onvoldoende in de materie verdiept hebben. De werkelijkheid trekt zich niks van onze compromissen en meningen aan. Soms heeft een van beiden gewoon gelijk, en de ander niet. (Maar wie is wie?) Als er al een les is, dan is het dat je nooit zomaar op je eigen brein kunt vertrouwen. Dat ding is namelijk niet gemaakt om zichzelf of de werkelijkheid te begrijpen, het is geëvolueerd om erin te overleven. Ons brein is daarom van nature bevooroordeeld.

Een paar stevige resultaten uit onderzoek:

We verkiezen welbespraaktheid boven eerlijkheid; zelfvertrouwen boven deskundigheid en simpele verklaringen die we begrijpen boven complexe. We schrijven succes aan onszelf toe en falen aan iets of iemand anders (tenzij we depressief zijn, dan doen we het eerder andersom). We zijn geneigd (precies dezelfde) prestaties van vreemden negatiever te beoordelen dan die van mensen uit ‘onze’ groep. We dichten mooie mensen positievere eigenschappen toe dan minder fraaie mensen. Tot slot denken we dat al die blinde vlekken meer voor anderen gelden dan voor onszelf. En die zelfoverschatting is volgens deskundigen precies de reden waarom we die vooroordelen niet corrigeren. We zien, kortom, veel zaken die er niet zijn.

Geloof – hoe onwaar of onzinnig ook – is onze geboortegrond.
Hoeveel illusies er ook zijn, je kunt ze altijd in een van twee categorieën plaatsen: 1) je ziet een patroon of betekenis waar er geen is, en 2) je ziet geen patroon of betekenis waar er wel een is. Mensen zijn vooral gemaakt om aan de eerste illusie te lijden. Die was extreem nuttig om te overleven. In de jungle, waar onze voorouders leefden, kon je er beter van uitgaan dat het struikgeritsel afkomstig was van een gevaarlijk roofdier dan van de wind. In het eerste geval gebeurde er niets, in het tweede geval werd je gedegradeerd tot lunch. Alerte, achterdochtige mensapen overleefden langer en gaven dus ook vaker hun genen door. Jouw en mijn brein zijn een directe kopie van onze conservatieve voorouders.

De defaultpositie van de mens is om er maar vanuit te gaan dat een patroon echt is. Simpelweg íets geloven is voor ons brein natuurlijker dan twijfelen, onderzoeken, experimenteren en testen hoe het écht zit. Dit is een van de redenen waarom veel mensen wetenschap wantrouwen, terwijl wetenschap bij uitstek is ontworpen om menselijke vooroordelen en denkfouten te omzeilen.

Het recept tegen welke illusie dan ook is – hoe kan het anders – de relevante feiten kennen. Maar dan nog, zelfs wanneer je mensen overweldigende bewijzen en goede argumenten tegen hun geloof presenteert, vallen zij er meestal niet vanaf, maar zullen ze dat instinctief juist versterken. Dit wordt ook wel het backfire-effect genoemd.

Een bizar voorbeeld: het is je vast niet ontgaan dat de Aarde – ondanks dat talloze onheilsprofeten haar ondergang regelmatig hebben voorspeld – nog niet is vergaan. Zelfs niet in 2012, het eens zo gevreesde einde van de Maya-kalender. Wat deden al die falende profeten en hun volgelingen eigenlijk met de feiten? Gaven ze toe dat hun geloof niet klopte? Zelden. Meestal werd hun geloof en toewijding juist sterker. Om hun oorspronkelijke geloof te rechtvaardigen gaven ze meestal een deze verklaringen voor de non-gebeurtenis:

1) De letterlijke Apocalyps met aardbevingen, overstromingen en hellevuur werd geherinterpreteerd als een onzichtbaar spiritueel proces (dat alleen de profeet en zijn volgelingen opmerkten).
2) Het was een test: God wilde weten of de profeet en zijn mensen wel écht voor hem door het vuur zouden gaan.
3) De datum werd verschoven vanwege een kleine misrekening van de profeet of een serieuze bedenking van God.

Dit is bijna net zo kras als dat je mij keihard in het gezicht slaat en ik even later (met een zakje ijs tegen mijn wang) mompel dat jij mij nooit met een vinger zou aanraken. Hoe gaat deze feitenontkenning eigenlijk in zijn werk?

Het brein heeft een defensiemechanisme tegen de werkelijkheid.
Een kort zijpad dat je misschien herkent: een waterval aan complimenten voelt een paar minuten lekker, maar één kritische noot – zelfs als het onterecht is – kan voelen als een mokerslag waarvan je de rest van de week moet bijkomen. Verklaring? Informatie die klopt met wat wij sowieso al geloven is niet zo interessant voor ons brein omdat we daar verder geen actie op hoeven te ondernemen. Ons brein is geëvolueerd om extra gevoelig te zijn voor informatie die dat ons wereldje bedreigt. Informatie die ons wereld- en zelfbeeld tegenspreekt doet extra pijn.

Neurowetenschapper Kevin Dunbar onderzocht het backfire-fenomeen ooit met een fMRI-breinscanner en deed een veelzeggende ontdekking: een mensenbrein dat informatie krijgt die strookt met wat het al gelooft, licht op in hersendelen die samengaan met leren en het verwerken van informatie. Bij tegenstrijdige informatie dooft die hersenactiviteit juist wat uit en wordt het brein actiever in gedeelten die samengaan met zelfbeheersing en de onderdrukking van gedachten. Kortom, het brein wordt dan defensief en zoekt naar een manier om de spanning van de tegenstrijdige informatie teniet kan doen. Het komt al snel met argumenten op de proppen – ook hele slechte – om het oorspronkelijke geloof in stand te houden.

Precies hierom hebben goedbedoelde gesprekken om religieuze, ideologische of politieke verschillen te slechten vaak een averechts effect. In plaats dat tegenstanders gemeenschappelijke grond vinden, raken ze gevoelsmatig juist nog meer van elkaar verwijderd. In een bekend Amerikaans onderzoek van Myers en co (1970) werd aan progressieve en conservatieve studenten gevraagd om een paar gevoelige politieke issues met elkaar te bespreken. Het resultaat: slechts door met elkaar te praten werden de conservatieven conservatiever en de toleranten nog toleranter. Groepspolarisatie wordt dit genoemd: iets wat op dit moment door sociale media als Twitter in rap tempo gebeurt.

Het backfire-effect geeft ook onzinnige complottheorieën extra brandstof. Complotdenkers zien zowel het gebrek aan bewijs als een tegenbewijs vaak juist als ‘bewijs’ van een goed georganiseerde cover-up die bewijzen wegmoffelt of manipuleert. Soms klopt het, maar als zelfs het gebrek aan bewijs wordt gezien als bewijs, dan is the sky the limit. Op internet vind je tal van hardnekkige en bizarre complottheorieën die wereldwijd al jarenlang door grote groepen aanhangers worden geloofd. Ze kunnen – gezien de tegenstrijdige theorieën die in omloop zijn – alvast niet allemaal waar zijn.

Het probleem met internet is dat het als een spiegelpaleis functioneert. Je checkt al snel de sites die jouw eigen ideeën terugkaatsen en negeert corrigerende informatie. Hierdoor kom je steeds vaster in je eigen ‘werkelijkheidsbubbel’ te zitten. In een langdurend onderzoek op Facebook (2010-2014) van Vicario et al. bleek dat internetters vooral informatie delen die strookt met hun vooroordelen zonder nog te letten op feiten en betrouwbaarheid van die informatie.

Ik zal hierdoor vast wat haters krijgen, maar het backfire-effect verklaart ook het huidige succes van de populaire antivaccinatie-lobby. Ondanks dat de wetenschappelijke consensus overweldigend is dat vaccinaties niet alleen miljarden levens redden, maar ook relatief veilig zijn, ziet de antivaccinatie-brigade het als een complot van de farmaceutische industrie, de mainstream media, de overheid, de wetenschap en reguliere geneeskunde om gezonde mensen voor hun eigen doelstellingen (geld en macht) te vergiftigen. In een onderzoek Van Nyhan & Reifler (2015) werden antivaccinatie-sympathisanten willekeurig in groepjes geplaatst om te zien welke van twee methodes het meest efficiënt waren om hen enigszins aan hun standpunt te laten twijfelen. De ene groep kreeg een rationele samenvatting van wetenschappelijk onderzoek, in de andere groep werden vooral emotionele argumenten gebruikt die duidelijk aantoonden hoe vreselijk de gevolgen konden zijn voor niet-ingeënte kinderen. Het resultaat? In beide groepen werd het anti-vaccinatie-sentiment juist sterker. Een bevestiging van het backfire-effect.

Ik wil niemand belachelijk maken, want we zijn allemaal geboren complotdenkers. Antropoloog Pascal Boyer deed ooit onderzoek onder verschillende natuurvolkeren en ontdekte dat zij allemaal een geloof deelden in onzichtbare entiteiten die het leven achter de schermen regelden. Bliksem, griep, een slechte oogst, winnen met voetbal: allemaal het werk van Goden, engelen, demonen, natuurgoden, complotten of aliens. Vooral in onzekere situaties hangen we liever een schijnverklaring aan dan te erkennen dat we het gewoon niet weten. Waarom tolereren we onzekerheid zo slecht?

De linkerhersenhelft: de fantast in ons brein.
Mensen zijn zowel in staat tot verbluffende inzichten en uitvindingen als ongelofelijke waanzin en domheid. Soms tegelijkertijd. Je kunt bijvoorbeeld een wiskundig genie zijn en tegelijkertijd geloven dat bruine bonen kwaadaardig zijn (Pythagoras). Je kunt in je eentje de zwaartekrachttheorie hebben uitgedacht en ondertussen geloven dat het doel van dit leven is om goud uit koper te maken (Isaac Newton). Je kunt de hele mensheid hebben verlicht met je uitvindingen en ondertussen drie keer angstvallig om elk gebouw heen moeten lopen voordat je er naar binnen durft (Nicola Tesla). Niemand is alleen maar slecht of gek, en niemand is alleen maar goed of wijs.

Wat is het mechanisme waardoor zin en onzin vaak in één en dezelfde schedel kunnen samengaan? Het lijkt er haast op dat er twee personen in ons hoofd zitten. En hoe belachelijk dit ook klinkt, misschien is dat niet eens zo ver van de werkelijkheid.

Ons brein bestaat uit twee hersenhelften die, ondanks dat zij continu met elkaar communiceren via de hersenbalk (corpus callosum), ook geheel zelfstandig van elkaar functioneren. Hoewel we voor veel taken beide helften nodig hebben, heeft elke helft een unieke kijk op de werkelijkheid. De linkerhelft is het analyserende gedeelte: het vereenvoudigt en verdeelt de werkelijkheid in hokjes, labels en oorzaak-gevolgrelaties. Het is gespecialiseerd in taal, rekenen en logisch en lineair nadenken. Het is ook dat deel dat dit artikel nu probeert te snappen en er een eigen oordeel over vormt. De rechterhersenhelft ervaart de werkelijkheid meer op een holistische manier. Je kunt dit deel zien als het waakzame, zintuiglijke, empathische en creatieve gedeelte: je intuïtie. Het is dit deel dat jou laat opschrikken als het iets verdachts hoort of verdriet in de stem van je geliefde hoort. Het ziet verbanden die de linkerhelft mist. De beschouwende rechterhelft informeert de uitvoerende linkerhersenhelft over hoe het gezamenlijke doelen kan bereiken, de linkerhelft bepaalt meestal het uiteindelijke beleid en voert het uit.

Over het algemeen functioneert dit huwelijk vrij harmonieus. En dat is maar goed ook, want beide helften hebben elkaar hard nodig. Onze beslissingen worden vaak door inzichten van beide hersenhelften geïnformeerd, maar soms is hun communicatie verstoord. In je eigen leven herken je het misschien door dit soort uitspraken: ‘Ik weet niet wat het is: die vrouw lijkt heel aardig, maar toch vertrouw ik haar niet.’ Of: ‘Ik weet verstandelijk dat dit een heel pijnlijke situatie is, maar ik voel het nog niet.’ In het eerste geval voelt je rechterhelft iets wat je linkerhelft nog niet in woorden kan uitdrukken. In het tweede geval voorziet de linkerhelft een gevolg dat de rechterhelft nog niet bevat.

De sterke ‘onafhankelijkheid’ van beide helften bleef heel lang onopgemerkt, totdat hersenwetenschapper Roger Sperry patiënten onderzocht bij wie de hersenhelften operatief volledig van elkaar gescheiden waren. Deze mensen lijken vrij op het eerste gezicht normaal, totdat je je goed onderzoekt. De conclusies zijn niets meer dan verbazingwekkend: het lijkt er sterk op dat deze mensen uit twee onafhankelijke personen bestaan, met eigen geheugens, identiteiten en verlangens. Voor dit artikel relevant: telkens waarin expliciet aan de rechterhelft werd gevraagd iets te doen (zonder medeweten van de linkerhelft) verzon de linkerhelft daar achteraf een totaal uit de duim gezogen verhaaltje bij waarom dat gebeurde. Als de rechterhelft een smiley face natekende omdat het dat net op een beeldscherm had gezien, en de linkerhersenhelft moest verklaren waarom dat getekend werd, dan antwoordde het iets onzinnigs als: ‘Hoezo? Wil je dat ik een verdrietig gezicht teken? Ik zie graag gelukkige gezichten.’

Het is de dominante linkerhersenhelft die alles verklaard hebben, zelfs als het geen of onvoldoende kennis van zaken heeft. De linkerhelft komt niet alleen met versimpelde versies van de werkelijkheid, maar ook met onzinnige verklaringen voor wat er gebeurt. En het is er heel slecht in dat eerlijk te erkennen. Talloze onderzoeken naar gezonde proefpersonen laat hetzelfde zien. De linkerhersenhelft is een zwamneus. In een ander grappig onderzoek werd vrouwen gevraagd te kiezen tussen twee nylon panty’s. De vrouwen kwamen stuk voor stuk met aannemelijke argumenten waarom ze de ene en niet de andere panty kozen: ze noemden subtiele verschillen in textuur, kleur of kwaliteit. In werkelijkheid waren het identieke panty’s. Zij rationaliseerden hun keuze zonder dat er enige reden voor was.

Wetenschapsjournalist Rita Carter geeft in haar boek Mapping the mind een goede evolutionaire reden waarom we deze blinde vlek zouden kunnen hebben: ‘De menselijke soort is zover gekomen door het vormen van complexe sociale structuren – van een groep jagers tot een politieke partij – en ervoor te zorgen dat deze harmonieus functioneren. Om een groep te laten functioneren is het nodig dat we er vertrouwen in hebben, en om er vertrouwen in te hebben, moeten we geloven dat deze organisaties gebaseerd zijn op gezonde, rationele beslissingen.’ Op dezelfde manier geeft het rationaliseren van onze beslissingen onszelf het gevoel dat wij geestelijk gezond zijn.

Misschien wordt het inmiddels tijd voor de volgende evolutionaire stap. De ‘linkerhersenhelften’ hebben een zootje van deze wereld gemaakt. We hebben nu vooral mensen nodig die gezond wantrouwen koesteren tegen die onuitputtelijke verklaringswaan van hun linkerhersenhelft. Dan kunnen we misschien samen uitzoeken hoe het wel zit.

Zoals Bertrand Russel, filosoof, ooit al zei: ‘Het probleem met de wereld is dat de idioten zeker van zichzelf zijn en de intelligenten vol zelftwijfel.’

Gelijk krijgen voor beginners: ken uw drogredenen

Ons dagelijks leven ziet scheel van misverstanden, meningsverschillen en onenigheden. Om tot elkaar te komen proberen we elkaar (en onszelf) te overtuigen met goede argumenten. Iets waar we over het algemeen vrij slecht in blijken te zijn. Mensen denken vaak dat ze goede redenen hebben om ‘iets’ te vinden terwijl ze in werkelijkheid ‘iets vinden’ en daar de redenen bij bedenken. Je kunt je hersenen daar de schuld van geven.

Als je er een beetje oog voor krijgt, zie je hoe mensen zich verlaten op drogredenen om hun gelijk te halen.

Heb jij ook graag het grote gelijk aan je kant? Hieronder een kleine rondleiding in de wereld van schijnargumenten. Gebruik die kennis naar eer en geweten.

Goede versus slechte argumenten
Alle redeneringen en argumenten hebben dezelfde structuur: A leidt tot B. Eerst is er een veronderstelling of feit waaruit het argument volgt, dan volgt er een logisch principe om tot de conclusie te komen. Een goed argument heeft drie kenmerken:

1. Je conclusie komt logisch voort uit je veronderstellingen.
2. Je punt is relevant voor het onderwerp.
3. Je conclusie klopt met de werkelijkheid.

Bijvoorbeeld: Jan is een man. Alle mannen zijn mensen. Dus, Jan is een mens.

Een drogreden is een schijnredenering, waardoor er een ongeldige conclusie wordt getrokken. Bijvoorbeeld: Jan is een drol. Een drol is een uitwerpsel. Jan is een uitwerpsel. Ergens gaat er in de veronderstellingen die naar de conclusie leiden iets fout. In dit geval is dat omdat het woord ‘drol’ verschillende betekenissen heeft: Jan is in zekere zin een uitwerpsel van zijn moeder, en hij is misschien een sukkel, maar hij is geen ontlasting. We kunnen ook opmerken dat wanneer de logica wel klopt, maar de veronderstellingen niet, dat de getrokken conclusie ongeldig is. Toch kan in die gevallen de conclusie toevallig wel waar zijn.

De meest voorkomende drogredenen zijn:

Conclusie volgt niet uit premissen (non sequitur)
De meeste drogredenen zijn een subtype van de non sequitur. Dit is een drogreden waarbij de spreker een mening of conclusie formuleert die niet uit de argumenten of premissen volgt. Voorbeeld: “Bij een kwart van de dodelijke ongevallen had de bestuurder alcohol gedronken, bij driekwart van de dodelijke ongevallen had de bestuurder koffie gedronken. Het is dus veiliger als de bestuurder alcohol drinkt in plaats van koffie.” Deze conclusie klopt niet. Deze getallen worden onjuist met elkaar vergeleken. Je kunt allereerst verwachten dat er in totaal veel meer koffie drinkende bestuurders dan alcohol drinkende bestuurders onderweg zijn. Logisch dus dat er meer koffiedrinkers botsen. Om de gecursiveerde conclusie te kunnen trekken moet je de verongelukte koffiedrinkers met alle koffiedrinkers die niet verongelukken vergelijken en verongelukte alcoholdrinkers met niet-verongelukte drinkers vergelijken. Dan zou je vast dat mensen die alcohol hebben gedronken statistisch gezien meer kans hebben te verongelukken dan koffiedrinkers.

Onterechte oorzaak-gevolgrelatie (post hoc ergo propter hoc)
“Vorige keer dat ik naar die ene sauna ging, werd ik ziek. Je moet daar niet naartoe gaan: het is daar onhygiënisch.” Als twee dingen na elkaar of gelijktijdig optreden betekent dat niet ze verband houden. De spreker gaat ervan uit dat het aan de sauna ligt dat hij ziek werd en sluit daarmee alle andere oorzaken uit. Zoals een sluimerend virus, voedselvergiftiging, een lang weekend doorhalen.

Valse vergelijking
Ten onrechte veronderstellen dat de ene situatie vergelijkbaar is met de andere. Bijvoorbeeld: “Geschiedenis is een nutteloos vak. Het verleden moet je laten rusten. Een versleten paar schoenen gooi je immers toch ook in de prullenbak?” Oude schoenen vergelijken met geschiedenisles is een valse vergelijking.

Een (vooral bij internetters) bekende valse vergelijking is de Godwin, waarbij een (vaak gematigde) politieke uitspraak wordt vergeleken met de nazicultuur. “Dus jij vindt dat we de Nederlandse cultuur beter zouden moeten beschermen? Weet je wie dat ook zei over de Duitse cultuur?”

Vals dilemma (zwart-wit-denken)
De ander wordt een vals dilemma opgedrongen door te doen alsof er maar twee keuzes zijn terwijl er meer zijn. Voorbeeld: “Of je laat zien dat je een vriend bent door me nu te helpen, anders betekent dit dat je nooit een echte vriend bent geweest.” Je kunt best een vriend zijn en een verzoek van jouw vriend onredelijk of ongewenst vinden. Ander voorbeeld: “Of je hebt gelijk en ze mag me gewoon niet of ik heb gelijk en ze is gewoon een beetje verlegen. Misschien hebben jullie allebei gelijk, of allebei niet.

Argument van de onwetendheid
Omdat er (nog) geen goede verklaring voor een bepaald fenomeen is of jijzelf weet gewoon hoe het zit kun je ten onrechte veronderstellen dat jouw verklaring klopt. “Ik heb hem nooit met een vrouw gezien. Hij is gewoon homo.” Of: “Wij zijn te nietig om te begrijpen hoe het heelal is ontstaan, dus er bestaat een God die het heeft gecreëerd.” Die laatste drogreden wordt ook wel het ‘God van de gaten’-agument genoemd.

Ontduiken van de bewijslast
Het ten onrechte presenteren van een standpunt als iets dat geen verdediging behoeft omdat het zogenaamd vanzelfsprekend is. “Iedereen die er langer dan een jaar gewoond heeft, weet dat Spanjaarden heetgebakerder zijn dan Hollanders.” Je onderbouwt je mening niet met argumenten waardoor de ander op het verkeerde spoor wordt gezet. Dit soort argumenten beginnen vaak met iets als “Je moet wel heel dom zijn om niet te weten dat…” Je moet dan stevig in je schoenen staan om daar iets tegen in te brengen. Een goede tegenvraag is: “Dat is iets te makkelijk: wat zijn volgens jou de redenen die aantonen dat Spanjaarden heetgebakerder zijn?”

Een subset van deze drogreden is de nodeloze herhaling of het stokpaardje: “Zoals ik al vaker en uitvoerig heb aangetoond: melk is niet goed voor je gezondheid. Nu wil ik een stap verder gaan en uitleggen… “ Op die manier wordt impliciet gezegd dat het eerst genoemde punt nu niet voor discussie vatbaar is: je moet het maar aannemen.

Definitieverwarring en spelen met woorden
Zowel ervaren en minder ervaren debatteerders spelen constant met woorden. Veel begrippen hebben geen scherp afgebakende betekenis waardoor sprekers er een eigen unieke invulling aan geven. Dit noemen we containerbegrippen. Hoe vager of elastischer het begrip hoe meer betekenissen je eraan kunt geven. Neem het woord God: die wordt door verschillende mensen ook wel genoemd: Jahweh, mysterie, liefde, Moeder Natuur, het kwantumveld, het heelal, Allah, energie enzovoorts. Dat maakt discussies over het onderwerp behoorlijk glibberig. Vaag taalgebruik kan maken dat mensen langs elkaar heen praten: “Jij creeërt constant verwarring op de werkvloer. Dat leidt tot een lagere productie, daarom wil ik je op een andere afdeling hebben.” Tegenvragen: “Wat bedoel je precies met verwarring? En lagere productiviteit? Kunnen we het niet op een andere manier oplossen, ik werk graag op mijn huidige afdeling?”

Beroep op traditie
Een mening of standpunt wordt verdedigd met het argument dat het altijd al zo was. Mensen die alternatieve geneeswijzen promoten gebruiken vaak dit argument. Ze zeggen bijvoorbeeld: “Handoplegging wordt al duizenden jaren door oude culturen gebruikt tegen allerlei ziekten, dat gebeurt niet voor niks. Het werkt.” Deze argumentatie klopt natuurlijk niet. Zelfs als de conclusie toevallig wel zou kloppen. Dat iets duizenden jaren wordt toegepast betekent vaak niet zoveel: regendansjes, bloedzuigers, rituele slachtingen, exorcismes zijn door de meeste mensen inmiddels terecht naar de categorie ‘onzinnig’ verwezen.

Andersom kun je natuurlijk ook een beroep op moderniteit doen. “Sjonge, we leven toch niet meer in de jaren 20. Je kunt toch wel iets van deze tijd aantrekken?” Ook dat is een non-argument.

Beroep op populariteit
De waarheid is geen kwestie van neuzen tellen. Hoeveel (percentages van) medestanders je ook aanvoert in je argumenten, het maakt je stelling niet meer waar. In Amerika gelooft een meerderheid in een (bijbelse) God. Veel gelovigen gebruiken hierom het volgende als argument: “De meeste Amerikanen geloven in God, noem je al deze mensen dom en onwetend? Of betekent dit misschien dat er een God is die jij hardnekkig probeert te ontkennen?” Je kunt als (onzinnig) tegenargument noemen: “In West-Europa is de meerderheid atheïstisch. Zijn deze mensen dan wel achterlijk?”

Beroep op autoriteit
Bij een autoriteitsdrogreden wordt ten onrechte een beroep gedaan op autoriteit zonder uit te leggen waarom die autoriteit het bij het rechte eind heeft. Bij discussies op de werkvloer zie je dit argument vaak terug: “Waarom ik vind dat we moeten reorganiseren? Omdat ik hier al vijftien jaar werk. Ik weet waar ik het over heb.” Het feit dat iemand ergens lang werkt of een hogere titel of status heeft, wil verder helemaal niet zeggen dat diens mening meer waard is dan de jouwe. De discussie wordt nu afgedaan met een onterecht argument.

Beroep op emotie
Deze drogredenen komen vaak neer op emotionele chantage, of zelfs regelrechte bedreiging. Zelfs als de tegenstander de truc door heeft is het lastig om er niet door van slag te raken. Ze gaan vaak zo: “Prima als je dat vindt, maar als ik ooit in de positie kom dat ik jou een keer kan steunen weet ik niet wat ik doe.” Of: “Ongelofelijk zeg, hoe kun je nu kritiek op mijn werk hebben, terwijl je weet hoe zwaar ik het thuis heb.” Ook vleierij maakt het de ander moeilijk om kritischer te zijn: “Zo’n mooie, slimme vrouw als jij snapt toch wel dat een man als ik niet altijd objectief kan zijn?”

Cirkelredenering
Bij een cirkelredenering gebruik je je standpunt als argument. Je herhaalt je standpunt in andere woorden. Voorbeelden: “Ik vind die gast een oneerlijke lul, omdat ik weinig redenen heb om hem te vertrouwen.” Of: “God bestaat omdat het in de bijbel staat. En de bijbel dat is het woord van God.” Nog eentje: “Als ik alle kritiek op haar lees, dan kan ik alleen maar concluderen dat zij de zaak niet goed heeft aangepakt.”

Het verschuiven van de bewijslast
Als je zelf weinig goede argumenten om jouw zaak hard te maken kun je ten onrechte beweren dat het de taak van de ander is om het (tegendeel) te bewijzen. Ook dit argument zie je veel in discussies over het paranormale of God. “Ik weet gewoon dat God bestaat. Bewijs jij maar eens dat God niet bestaat?” Dit is natuurlijk geen argument. Als jij beweert dat er een Grote Onzichtbare Gnoom in jouw achtertuin woont dan is het aan jou om dat te demonstreren, niet aan de ander. Niemand hoeft zomaar iets van je aan te nemen omdat een ander niet het tegendeel kan bewijzen. Hitchens tegenargument: “Dat wat zonder bewijs wordt beweerd, kan zonder bewijs worden genegeerd.”

Overhaaste generalisatie
Het afleiden van een algemene uitspraak uit een te klein aantal gegevens. Bijvoorbeeld: “Twee keer met Transavia gevlogen, elke keer meer dan een uur vertraging. Vlieg nooit met Transavia!” Discriminatie werkt ook volgens deze drogredenering. Dat gaat ongeveer zo: “Ik ben twee keer beroofd in Afrika. Afrikanen zijn niet te vertrouwen.” Tegenargument: “Dat kan toeval zijn, heb je objectieve statistieken die dat aantonen?”

De stroman of vogelverschrikker
Het toeschrijven van een standpunt aan de tegenstander die hij niet heeft. Dat doe je door het standpunt uit zijn context te halen, te simplificeren of te overdrijven. In alle gevallen wordt een standpunt gecreëerd dat gemakkelijker aangevallen kan worden, een karikatuur. Een arts die pleit voor een betere regulering van euthanasie om mensen uit hun lijden te verlossen, kan door een tegenstander worden uitgemaakt voor moordenaar: “Een arts die mensen stimuleert er een einde aan te maken is geen arts maar een moordenaar. Wat voor woord je er ook voor gebruikt: euthanasie is moord. Het leven is heilig. “ Deze redenering is een stroman, een karikatuur van wat de arts bedoelt. De stroman is mogelijk de meest gebruikte debatteertruc van allen. Een actuele stroman is wanneer alle kritiek op moslims in de multiculturele samenleving wordt afgedaan als islamofobie of rechts populisme. Dit staat een eerlijke discussie in de weg.

Het hellend vlak
Dit valse argument veronderstelt dat een bepaald standpunt onherroepelijk zal leiden tot heel schadelijke gevolgen. Voorbeeld: “Door softdrugs te legaliseren, maak je het mensen heel gemakkelijk om ook aan de heroïne te gaan.” Dit is een drogreden wanneer er geen bewijzen voor zijn. Een argument dat vaak gebruikt wordt door (religieuze) activisten die tegen het homohuwelijk zijn: “Als we het homohuwelijk toestaan, dan kunnen we we net zo goed mensen en dieren laten trouwen.”

Op de man spelen (ad hominem)
Het persoonlijk aanvallen van de tegenstander in persoon in plaats van het standpunt dat hij verdedigt. Voorbeeld: “Hoe kun je mij nou kwalijk nemen dat ik lieg. Jij hebt zo vaak gelogen in je leven.” Of: “Hoe kan ik iemand zonder diploma serieus nemen over onze bedrijfsvoering? Haal eerst maar eens je papieren.” Beide persoonlijke aanvallen zijn niet relevant voor de echte issues. Ook zonder diploma kun je goede argumenten hebben, en dat jij vroeger ooit gelogen hebt, betekent niet dat je haar dáár nu niet op kunt aanspreken.

Irrelevante bijzaak tot hoofdzaak maken
Jij vraagt aan een collega of ze jou kan steunen met een project dat jou boven de pet gaat. Haar antwoord: “Ik dacht dat jij juist zo veel waarde hechtte aan onafhankelijkheid en alles zelf wilde oplossen?” Zelfs als zou je ooit zoiets gezegd hebben, haar antwoord is niet relevant voor de vraag die je haar nu stelt. Een ander voorbeeld: “Hoezo ben je niet blij met onze samenwerking? Je hebt er zelf voor gekozen om met mij te werken? Dat is jouw eigen schuld.” Dat jij ooit jullie samenwerking hebt geïnitieerd betekent niet dat jij daar nu geen kritiek op mag hebben.

Oneerlijk beschuldigen van het gebruik van drogredenen
Zoals je misschien al opgemerkt hebt, zijn drogredenen lastig onder te verdelen. Het vereist een heldere geest om ze goed uit te elkaar te halen. De meeste drogredenen hebben bovendien overlap met elkaar. De uitspraak “Jouw kritiek op mij laat alleen maar zien hoe kleinzielig en seksistisch je bent” kan je zien als een persoonlijke aanval, een non sequitur en een beroep op emotie. Ervaren publieke debatteerders en politici met kennis van drogredenen bestempelen de uitspraken van hun tegenstander te pas en te onpas tot drogreden om hen onderuit te halen en het publiek te beïnvloeden. Een relatief valide vergelijking wordt meteen tot valse vergelijking gebombardeerd. Het aanhalen van relevante werkervaring wordt als onterecht beroep op autoriteit gezien. Het eerlijk aankaarten van problemen binnen een bevolkingsgroep wordt van de hand gedaan als discriminatie (overhaaste generalisatie). Goed statistisch onderzoek kan bij dit soort discussies een eerlijke leidraad zijn. Cijfers liegen niet (als ze tenminste statistisch verantwoord zijn verzameld).

Waarom drogredenen gebruiken?
Drogredenen houden onze illusies en geloofsels in stand. Hierin laten verschillen tussen geloof en wetenschap goed zien. Wetenschap is intrinsiek ontworpen als tegengif voor wensdenken, drogredenen en vooroordelen. Als er (nog) geen antwoorden voorhanden dan stelt wetenschap harde conclusies uit. Geloof daarentegen is gemaakt om (ondanks de feiten of een gebrek aan bewijs) zichzelf in stand te houden. Drogredenen zijn daarvoor essentieel.

De kracht van no-touch knockouts en andere illusies

Yanagi Ryuken is een Japanse aikido-grootmeester, wereldberoemd om zijn ‘no-touch knockout’. Met een speciale meditatietechniek bouwt hij volgens eigen zeggen in luttele seconden zoveel ‘chi’-kracht op dat hij zijn tegenstanders vloert zonder ze met één vinger aan te raken. Er circuleren tal van Youtube-videos als bewijs van zijn occulte vaardigheden. Je ziet daarin een onoverwinnelijk ogende Yanagi met slechts wat ludieke handgebaren een eindeloze stroom aanvallers vloeren.

In een dappere poging om zijn mysterieuze krachten aan de wereld kenbaar te maken besloot de sensei een officiële match aan te gaan met een lokale karatekampioen. Geen bijzondere jongen verder, maar wel krachtig genoeg om jou en mij waarschijnlijk de oren te wassen. De grote vraag was: zouden de magische wegwuifgebaren van de sensei ook werken bij iemand die niet zijn discipel was en niet in zijn speciale gave geloofde?

De Youtube-video van deze gebeurtenis circuleert inmiddels ook op internet. Het doet pijn ernaar te kijken. De jongere tegenstander, duidelijk niet onder de indruk van de hocus pocus, geeft de grootmeester klap na klap net zolang hij zich gewonnen geeft. Terwijl de oude meester zijn inmiddels bloedende hoofd met de ene hand beschermt, maakt hij met de andere hand inmiddels wegwuifgebaren die er heel anders uitzien. Zo ziet échte zelfbescherming eruit. ‘Stop’, gebaart de oude meester. De scheidsrechter staakt de strijd en de winnende karateka stopt meteen met slaan. Game over.

Yanagi en zijn studenten laten een knap staaltje collectieve zelfmisleiding zien. Zelfs met iets zo concreet als een vechtsport kun je blijkbaar wereldberoemd worden, allemaal studenten en bewonderaars om je heen verzamelen zonder te doorzien dat jouw hele cultus gebaseerd is op een niet-bestaande vaardigheid. De waarheid is soms keihard. Yanagi deed níet wat hij decennialang dacht wél te doen. Zijn no-touch knockout bestaat niet.

Het is misschien lastig te zien hoe Yanagi en zijn studenten langzaam in deze collectieve waan zijn gekomen, maar hypnotiseurs snappen best hoe dat kan. Zelfs nuchtere, aardse types kun je voor de gek houden als er genoeg sociale druk en schijnbaar goede redenen voor zijn. Als je als vechtsporter links en rechts goede vechtsporters ziet neergaan door een onzichtbare kracht dan wordt die verwachting gewekt dat je zelf ook zult neergaan als de grootmeester zijn onzichtbare wapen tegen jou inzet. Mocht je aanvankelijk nog twijfelen, en slechts uit sociale ongemakkelijkheid neergaan … je brein begint jouw eigen gedrag op een gegeven moment te geloven. ‘Ik doe het, dus het zal wel waar zijn.’ Dat is ook waarom het faken van zelfvertrouwen of een glimlach werkt. ‘Ik lach, dus ik zal wel vrolijk zijn.’ Je doet iets, en je brein produceert er de bijbehorende gevoelens en gedachten bij.

Wij zijn allemaal Meesters in Zelfmisleiding. De meeste van onze illusies worden alleen niet zo hardhandig door de werkelijkheid bestraft als in het geval van Yanagi. Op die manier kunnen ze langer standhouden. Vooral de magische wereld van de alternatieve therapie en new age tieren is een museum van denkfouten, drogredenen en blinde vlekken. Als je met zo iets concreets als een vechtsport jezelf en anderen voor de gek kunt houden, hoe zit het dan met glibberige vaardigheden – pak ‘m beet – handoplegging, helderziendheid en kristallengenezing? En – stel dat deze vaardigheden – inderdaad gebaseerd zijn op wensdenken, hoe kan het dat juist hoogopgeleide mensen er vaak in geloven?

Wat deze mensen meestal niet weten is dat de kracht van het alternatieve niet schuilt in de intrinsieke waarde van de therapie zelf, maar in de eigen geest. Het zijn denkfouten, drogredenen en een gebrek aan inzicht in de wetenschappelijke methode die laat denken dat het aan de alternatieve behandeling ligt. Je eigen brein is interessanter dan veel van die malle theorieën en behandelingen, want dat is de waar de echte magie plaatsvindt.

Ik wil je niet uit jouw specifieke geloofsels praten. Maar voordat je besluit jezelf reiki-master, homeopaat of energiewerker te noemen… het is nooit verkeerd jezelf af te vragen: in hoeverre lijkt wat ik doe eigenlijk op het geven van no-touch knockouts?

Waarom zelfs extreem incompetente mensen president kunnen worden?


Misschien vraag je jezelf in een cynische bui wel eens af waarom de wereld bestuurd wordt door schietgrage malloten? Waarom ziet de tv scheel van praatzieke kakelkoppen die niks te zeggen hebben? Hoezo is je baas – die in zijn eentje niet eens koffie kan zetten – ooit op die directeursstoel gekomen? En, erger, waarom nemen je collega’s hem überhaupt serieus?

Het antwoord heeft deels te maken met het Dunning-Kruger-effect, een vorm van zelfoverschatting. We spreken van het Dunning-Kruger-effect wanneer iemand zijn eigen capaciteiten en kennis op een bepaald gebied, in vergelijking met anderen, veel te hoog inschat. Juist door een grote mate van incompetentie kan iemand blind zijn voor hoe incompetent hij eigenlijk is: hij weet eenvoudig niet wat het betekent om (op dat gebied) goed en competent te zijn. En daarom kan hij ongestoord denken dat hij dat zelf is.

Andersom hebben mensen die werkelijk bovengemiddeld competent zijn – echt begaafde mensen – al snel de neiging hun eigen kunnen te onderschatten. Wanneer het vaardigheden betreft die henzelf makkelijk afgaan, kunnen zij ten onrechte denken dat dit bij anderen ook wel zo zal zijn. Het is voor hen niet zo bijzonder.

Heel incompetente mensen schatten zichzelf al snel te hoog in, erg competente mensen schatten juist anderen snel te hoog in. Dit fenomeen werd in 1999 op de wetenschappelijke kaart gezet door de psychologen Dunning en Kruger. Zij lieten zien dat hoe slechter psychologiestudenten op een test scoorden hoe meer zij dachten dat dit niet zo was. Het Dunning-Kruger-effect is daarna door andere onderzoekers op tal van gebieden bevestigd.

Oké, zul je misschien denken, dat snap ik wel, maar hoe kan het dat extreem incompetente mensen soms de absolute top van de sociale ladder bereiken? Zijzelf kunnen denken dat ze fantastisch zijn, maar anderen zien daar toch zo doorheen? Goede vraag. Hoe kan een onbenul als Sarah Palin bijna vice-president van het machtigste land van de wereld worden? Hoe kan een baviaan als Silvio Berlusconi jarenlang de hoogste baas van een heus (democratisch) land zijn geweest?

Zelfoverschatting is een ‘nuttige’ illusie, wánt niet gehinderd door zelftwijfel kan iemand puur op toeval, doorzettingsvermogen en bluf heel erg ver komen. Terwijl jij gepijnigd wordt door faalangst en twijfels of je niet… toch… misschien… morgen… of overmorgen een sollicitatiemailtje moet sturen, heeft de Zelfoverschatter al ergens zijn voet tussen de deur.

Door zijn gevoel van superioriteit is de Zelfoverschatter veel actiever bezig zijn doelen te halen dan anderen. Daarbij krijgt hij al snel het voordeel van de twijfel omdat mensen nou eenmaal geneigd zijn te vertrouwen op mensen die zichzelf vertrouwen. Waar rook is, is vuur en waar zelfvertrouwen is, zijn vast ook vaardigheden die dat zelfvertrouwen rechtvaardigen. De Zelfoverschatter krijgt door dit vooroordeel, ondanks zijn incompetentie, meer dan genoeg kansen aangeboden. En hij zal die uiteraard ten volle benutten en promoten, waardoor hij in de gelegenheid komt waardevolle dingen te leren, een netwerk op te bouwen en zijn cv te pimpen. En hierdoor zwaaien deuren in de toekomst nog makkelijker voor hem open.

Daarnaast hebben Zelfoverschatters vaak simpele oplossingen voor complexe problemen. En daar houden mensen van. Complexiteit doet ‘auw’ in de hersenen. Snelle, haalbare antwoorden, uitgesproken met kracht, verlichten direct de spanning van die onzekerheid. Zelfs als die antwoorden nergens op slaan. ‘Nou, hij zal het wel weten dan.’ Mensen die lang nadenken (over de nuances en alternatieven) weten blijkbaar niet wat er te doen staat. Dit werkt allemaal in het voordeel van de Zelfoverschatter. Hij kan een reputatie opbouwen als iemand met lef, rauwe eerlijkheid en heldere antwoorden. ‘Hij zegt tenminste wat wij stiekem denken.’

Als de Zelfoverschatter op een gegeven moment wat macht of status heeft verworven dan zullen ineens andere mensen iets van hem (en zijn succes) willen. Dat maakt zijn positie nog sterker. Zelfs al is zijn incompetentie voor buitenstaanders nog zo zichtbaar, wanneer de Zelfoverschatter eenmaal wordt omringd door slijmerds die iets van hem nodig hebben, kan hij zijn imperium rustig verder uitbouwen. Op een gegeven moment gaan ook sceptici twijfelen: ‘Misschien heb ik iets over het hoofd gezien en moet ik mijn oordeel bijstellen. Blijkbaar doet-ie toch iets goed.’ En als zelfs de sceptici overstag gaan, kan het hard gaan. Voor je het weet is de Zelfoverschatter directeur, hooggeplaatst politicus of president van een land.

In een maatschappij waar gebakken lucht, marketing en zelfpromotie overgewaardeerd worden, is het voor de gemiddelde Zelfoverschatter goed toeven. Had je dit allemaal geweten, dan had je dat sollicitatiemailtje vast al eerder verstuurd.